1. Economie en nederzettingen
In het Noordzeekanaalgebied wonen en werken al eeuwenlang mensen. Elke stad, elk dorp en buurtschap heeft zijn eigen ontwikkelingsgeschiedenis. Ligging in het landschap, gesteldheid van water en bodem, maatschappelijke factoren en bereikbaarheid drukten hun stempel. Wanneer die omstandigheden veranderden, veranderden ook economische en demografische ontwikkeling. De ontwikkeling van de nederzettingen heeft ook grote weerslag op de natuur, op flora en fauna. Waar de mens dominant wordt, verandert het ecosysteem. Die wisselwerking is complex en het lijkt erop dat, na eeuwen van menselijk streven naar welvaart, de regio net als de hele westerse samenleving op zoek moet naar een nieuw evenwicht tussen natuur en cultuur.
De verstedelijking van het Noordzeekanaalgebied is relatief recent. De kernen bestonden al langer en in de late negentiende en vroege twintigste eeuw is er al flink gebouwd, maar vanaf de Tweede Wereldoorlog zijn er veel woonwijken bijgekomen, net als havens en industriegebieden, en doorsneden door grootschalige infrastructuur van snelwegen, spoorlijnen en hoogspanningsmasten. De historische, fijnmazige ruimtelijk-functionele vervlechting in het gebied kwam daarmee onder druk te staan – het Noordzeekanaalgebied werd een gebied van contrasten en scherpe overgangen. Dat heeft ook tot gevolg dat elk buurtschap, ieder dorp of elke wijk een sterke eigen identiteit heeft. Op relatief korte afstand bestaan soms grote sociaal-maatschappelijke verschillen, doorgaans zichtbaar aan de bebouwing, de openbare ruimte en het landschap.
Middeleeuwse kernen
In het Noordzeekanaalgebied werd aanvankelijk alleen gewoond op de strandwallen langs de kust, de rest was moeras. Op de hogere delen van de oude strandwallen lagen de akkers, de geesten. De boerderijen stonden op de flank van de geest, op de overgang naar de weilanden op de lager gelegen strandvlakten. In plaats- en veldnamen Plaatsnamen en ook waternamen en veldnamen kunnen veel vertellen over de ontwikkeling van het landschap. De naamgeving kan bijvoorbeeld iets zeggen over het natuurlijke landschap. Zo verwijst broek in de plaatsnaam Velserbroek naar een ’laag gelegen moerassig gebied’, betekent haar zoals in Haarlem ‘zandige rug’ en relateert woude zoals in Spaarnwoude aan ‘moerasbos, zompig bos’ dat in dit geval aan het Spaarne lag. Sommige namen herinneren aan de stempel die de mens drukte op dat landschap. Ze wijzen op het landgebruik, de locatie of op infrastructurele werken. Zo is Beverwijk een samenstelling van de diernaam bever en wijk, dat ontleend is aan het Latijnse vicus dat ‘hoeve, nederzetting of dorp’ betekent. In Spaarndam verwijst dam naar de gebouwde waterkering die dwars in het riviertje het Spaarne werd gelegd. Hembrug verwijst naar de voormalige spoorbrug die bij de in het IJ stekende landtong den Hem over het Noordzeekanaal voerde. Hem betekent op zijn beurt ‘aangeslibd land in een bocht van een waterloop’. Een van de oudste namen in het gebied is het IJ dat ‘water’ betekent. Het woord komt in allerlei varianten in heel Noordwest-Europa voor, veelal als aa of ee maar in Noord-Holland meestal als ie. In Amsterdam is men het anders gaan schrijven. Het verhaal gaat dat Joost van den Vondel daar invloed op heeft gehad, omdat hij de ie-klank onbeschaafd vond. Daarmee veranderde kiek in kijk, wief in wijf en Ye in IJ. In bepaalde gevallen leidden de oude waternamen tot latere plaats- of veldnamen, zoals bij Krommenie. komt het historisch grondgebruik nog steeds tot uitdrukking. Denk aan namen die eindigen op ‘geest’ of ‘broek’, zoals de wijk Hofgeest bij Velserbroek.
In de loop van de vroege middeleeuwen breidde de bewoning op de strandwallen zich uit. Er ontstonden nederzettingen die – door de ligging van de strandwallen – noordoost-zuidwest waren georiënteerd en parallel aan elkaar lagen. Deze ruimtelijke indeling is ook nu nog goed te zien. Ten zuiden van het Noordzeekanaalgebied ligt bijvoorbeeld Spaarnwoude op de meest oostelijke strandwal. Het karakteristieke kerkje staat nog steeds iets hoger dan de omgeving. Op de strandwal ten westen ervan lag Haarlem, waarna ‘over het veen’ op een strandvlakte op de volgende strandwal Overveen, Bloemendaal, Santpoort en Driehuis zijn ontstaan. Wijk aan Zee is in de middeleeuwen ontstaan in een natuurlijk duindal dat na ontginning een ‘zeekrocht’ of ‘zeecroft’ werd: de huidige dorpsweide die zelfs de wederopbouw heeft overleefd.
Er werd nog niet veel gehandeld, maar als er tijd over was, verdienden boeren in de achtste en negende eeuw soms bij als schipper of tussenhandelaar in de Friese handel. Beverwijk en Haarlem groeiden uit tot marktcentra voor de regio omdat ze aan bevaarbaar water lagen. Beverwijk kreeg in 1298 stadsrechten en was in 1302 de eerste plaats in Holland met een lakenhal waar belasting werd geheven over de textielhandel en waar keurmerken werden aangebracht.
Het dorp Velsen is ontstaan in de late zevende eeuw, toen de Engelse monnik Willibrordus met twaalf metgezellen naar Nederland kwam. Een van die metgezellen, Engelmundus, zou het eerste kerkje van Velsen hebben gesticht, waaromheen het dorp groeide.1 Over Velsen werd in de zestiende eeuw gemeld dat het 85 huizen telde en dat de bevolking leefde van akkerbouw, veeteelt en het vervoer van zand en schelpen. De schelpwinning en schelpkalkbranderij waren belangrijk voor Velsen en Beverwijk. De schelpenvissers vervoerden de schelpen vanaf het strand door de Breesaap, langs de Schulpweg naar opslagplaatsen aan de oever van het Wijkermeer of naar de kalkovens in Beverwijk die gestookt werden met turf uit Aalsmeer. Van de kalk werd metselspecie gemaakt die als bouwmateriaal via het Wijkermeer naar Enkhuizen werd vervoerd om daar verhandeld te worden. Bron: Castricum, C., Beverwijk en zijn industriële geschiedenis, 2002
Haarlem ontwikkelde zich in het midden van de tiende eeuw op de plek waar de noord-zuidweg over land en het Spaarne dicht bij elkaar liepen. Haarlem groeide uit tot marktstad en bestuurscentrum van Kennemerland en kreeg in 1245 stadsrechten. De eerste vermelding van de grafelijke aanwezigheid is een oorkonde uit circa 1105 (Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299: OHZ I, nr. 101). De eerste vermelding van het hof (curia) dateert weliswaar van 1214 (OHZ I, nr. 347), maar volgens Henderikx (1977, 75) is aannemelijk dat deze curia al in de twaalfde eeuw dienstdeed als grafelijk verblijf en als bestuurscentrum voor Kennemerland. Bron: Marsilje 1995, 19; Numan 1999). De stad stond bekend om de productie van textiel en bier voor de export omdat er helder duinwater voorhanden was. Het water dat aan de voet van de duinen opborrelde en aanvankelijk als duinbeekje afvloeide, werd via duinrellen (smalle ondiepe gegraven watergangen) naar de linnenblekerijen en bierbrouwerijen geleid. Ook de latere buitenplaatsen profiteerden van het heldere duinwater, om er hun vijvers mee vullen.
De lakenproductie en -handel verplaatste van Beverwijk naar Haarlem, waar rond 1400 een lakenhal in het stadhuis werd gevestigd. De stad groeide snel met buurten met smalle straten, kleine arbeidershuisjes en een gracht voor het wassen van de lakens: de Voldersgracht of de Raamgracht. De scheepswerven en de bierbrouwerijen lagen aan het Spaarne. Tuinbouw vond plaats aan de randen van de steden, zoals op sommige plekken nog altijd te zien is – denk aan de Tuinen van West tussen Amsterdam en Haarlem en het gebied tussen Beverwijk en Wijk aan Zee.